Op 23 februari 1810 werd Francijntje van der Lee, de jongste dochter van Jan Dirkszn van der Lee (1769-1850) en Arendje van Loenen geboren. Francijntje werd op 25 februari 1810 gedoopt in De Lier. Volgens de notitie in de kantlijn was Jan Dirksz al enige tijd afwezig.

Bij gebrek aan aanvullende bronnen die op iets anders wijzen, is de meest waarschijnlijke verklaring dat Jan tijdelijk elders aan het werk was als gevolg van zijn wisselende bestaan als arbeider, werkman, tuinder en bouwman.
Dit type werk in het Westland en Maasland rond 1810–1840 was sterk seizoensgebonden en bood geen vaste werkplek of stabiel inkomen, waardoor mannen vaak afhankelijk waren van werk dat zich op verschillende locaties voordeed.
Het is daarom goed mogelijk dat Jan voor langere of kortere tijd elders werkzaam was, bijvoorbeeld in de landbouw, tuinbouw of bij bouw- en waterwerken in de regio. Tijdens dergelijke periodes verbleven arbeiders vaak buiten hun woonplaats, waardoor zij in lokale administraties eenvoudig als “afwezig” werden genoteerd, zonder dat dit duidt op een definitieve verdwijning uit het gezin.