Op 21 mei 1740 overleed Gijsbert Ariensz. van der Lee in Delft. Hij was kuiper van beroep en woonde aan de zuidzijde van de Buitenwatersloot. Zijn vrouw, Jannetje Cornelisdr. van Heijningen, overleefde hem en legde in april 1742 vast hoe haar nalatenschap verdeeld moest worden. Haar testament geeft een beeld van de bezittingen van het gezin en de bijzondere afspraken die zij met haar kinderen maakte.
Haar kleindochter Jannetje, dochter van haar zoon Cornelis van der Lee, kreeg een zilveren beugeltas. Haar dochters Aagje en Maria zouden de kleding en het goud- en zilverwerk van hun moeder onderling verdelen. Aagje was getrouwd met Aarnout Barvoets, marktschipper tussen Delfshaven en Delft; Maria was weduwe van Jacob van der Slag. De overige bezittingen moesten in gelijke delen naar haar kinderen gaan. Tot voogden over de minderjarigen en executeurs van haar testament benoemde Jannetje haar zoon Cornelis van der Lee en haar schoonzoon Aarnout Barvoets.
Voor haar jongste zoon Jacobus nam Jannetje een bijzondere bepaling op. Hij mocht het huis aan de Buitenwatersloot, met de aanwezige inboedel en de gereedschappen van de kuiperswinkel, voor 700 gulden overnemen. Als reden noemde zij de vele diensten die hij haar had bewezen. De akte vermeldt niet welke diensten dat waren. Wel blijkt eruit dat het huis en de werkplaats, met de bijbehorende gereedschappen, deel uitmaakten van de bezittingen waarover Jannetje kon beschikken. Of Jacobus de kuiperswinkel na de overname daadwerkelijk voortzette, moet uit andere bronnen blijken.
In haar testament herriep Jannetje eerdere beschikkingen, waaronder een testament dat zij op 4 maart 1737 voor notaris Hendrik Halder had laten opmaken. In 1742 legde zij haar wensen opnieuw vast, met specifieke bepalingen voor haar kleindochter, haar dochters en haar jongste zoon.
Ook Aagje van der Lee komt in andere akten voor. Op 23 oktober 1739 hadden zij en haar man Aarnout Barvoets samen een testament gemaakt, waarin zij elkaar tot universeel erfgenaam benoemden. Voor het geval Aagje als eerste zou overlijden, hun huwelijk kinderloos was gebleven en haar ouders Gijsbert en Jannetje nog leefden, hielden zij rekening met het rechtmatige erfdeel van haar ouders.
Een verklaring die Aagje op 26 mei 1743 aflegde, gaat terug op een eerdere periode in haar leven. Op verzoek van de Delftse secretaris Casper Rudolph van Kinschot vertelde zij over haar werk als dienstmaagd bij Jan Franssen Meerman en diens weduwe Adrina van Santen. Meerman was lid van het Delftse stadsbestuur en overleed in maart 1724; zijn weduwe stierf in november 1729.
Aagje verklaarde dat zij in 1729 bij het huishouden in dienst was gekomen en er was gebleven tot mei 1730, toen het huishouden werd ontbonden. Volgens haar kwam Gerrit Janssen Meerman, die in Den Haag woonde, geregeld bij Adrina op bezoek en nam hij de leiding over het huishouden op zich. Adrina moest van hem geld ontvangen om de huishoudelijke uitgaven te betalen, maar verkeerde volgens Aagje vaak in financiële moeilijkheden. De dienstboden moesten herhaaldelijk zelf geld bijleggen om het huishouden draaiende te houden.
De verklaring staat los van de nalatenschap van Gijsbert en Jannetje. Ze documenteert een eerdere episode uit Aagjes leven, voordat zij met Aarnout Barvoets trouwde. Samen geven de testamenten en de verklaring een beeld van verschillende aspecten van het leven van de familie Van der Lee in de eerste helft van de achttiende eeuw.