In 1882 ontstond bij de afwikkeling van de nalatenschap van Simon Suiker en Eijgje Timmer een geschil over de verkoop van hun roerende goederen. Hun kinderen Antonie, Dirk, Jan Cornelis en Pietertje Suiker waren mede-erfgenamen. Pietertje was inmiddels getrouwd met Jan van der Lee.
Simon Suiker was op 3 juli 1872 overleden en Eijgje Timmer op 6 december 1881. De vier erfgenamen wilden de roerende goederen openbaar laten verkopen. Teunis van den Heuvel, echtgenoot van hun zuster Gerrigje Suiker, werkte hier niet aan mee.
De kantonrechter te Sliedrecht weigerde op 27 april 1882 toestemming voor de verkoop. Volgens hem was de boedelbeschrijving van 11 januari 1882 niet rechtsgeldig, omdat Teunis van den Heuvel niet bij de inventarisatie aanwezig was geweest en vooraf geen verzegeling had plaatsgevonden. De inventaris was opgemaakt door notaris Henricus Coert te Molenaarsgraaf.
De erfgenamen gingen in hoger beroep. De Arrondissements-Rechtbank te Dordrecht stelde hen op 31 mei 1882 in het gelijk. Teunis van den Heuvel was volgens de rechtbank behoorlijk voor de inventarisatie opgeroepen en het ontbreken van een voorafgaande verzegeling maakte de boedelbeschrijving niet ongeldig.
De rechtbank vernietigde daarom de beschikking van de kantonrechter en bepaalde dat de roerende goederen openbaar mochten worden verkocht. De verkoop werd vastgesteld op 21 juni 1882, ten overstaan van notaris Coert te Molenaarsgraaf.
Pietertje Suiker was daarmee als erfgename rechtstreeks bij de afwikkeling van de nalatenschap van haar ouders betrokken, terwijl zij inmiddels de vrouw van Jan van der Lee was.