Een van de uitdagingen waar Rinse Adolf van der Lee als hoofd van de dienstkring Rijkswaterstaat in Vlissingen voor stond was olie in het zeewater. De olie voornamelijk afkomstig van schepen op de Noordzee of de Westerschelde gaf veel overlast. Overlast voor de vissen en vogels op zee, maar ook voor de badgasten op de Zeeuwse stranden. Olie op zee is moeilijk te verwijderen en spoelde dan ook regelmatig aan op de stranden.
Hij ging aan de slag om te zoeken naar een praktische oplossing voor dit terug kerende probleem. Want stranden schoon scheppen, vogels bijvoeren en wassen is kostbaar en de winst om de olie op zee al te verwijderen zou een stuk praktischer zijn. Het gebruik van chemicaliën om de olie op te lossen was geen milieuvriendelijke alternatief en ook vaak niet mogelijk omdat de olie net onder het water oppervlakte drijft.
Er werd door Rinse Adolf een plan gemaakt om de olie van zee te vegen met een oilbestrijdingsvaartuig. Het vaartuig werd een ponton met twee veegarmen.

Het bijzondere aan het vaartuig was dat de olie die opgeveegd werd werd gescheiden van het water. Het schone water kon het voertuig dan weer verlaten en de olie werd veilig opgeslagen. Het scheiden van de olie en water kon zonder energie gebeuren door gebruik te maken van het verschil in soortlijkenmassa.
Het project kreeg veel aandacht van de pers in Zeeland, diverse krantenberichten doen uitgebreid verslag van de ingebruikname van de Oilcrab.
Voordat de Oilcrab in gebruik werd genomen droeg het vaartuig een andere naam. Het oilbestrijdingsvaartuig had de naam Leeoil en werd later omgedoopt naar Oilcrab. Een foto van de Leeoil heeft een tijd lang vol trots in de keuken gehangen.