Kort na de oorlog is Maria Klazina van der Weide een tijdje uit huis om tot rust te komen van alles wat er in de oorlog is gebeurt. Maria Klazina en haar man Willem van der Lee besluiten dat de kinderen tijdelijk elders gaan logeren. Ze missen haar allemaal en schrijven haar regelmatig. In een van de bewaard gebleven brieven schrijft de 10-jarige Rinse Adolf van der Lee over een ruzie waar hij bij betrokken was en hij moppert bij zijn moeder over de de bemoeienis van de juf.

Moeder nu moet u eens horen, op een dag kwam ik uit school en Ge de Vries woont nu op het Wilhelminaplein [Bennebroek]. Die loopt dan altijd met ons mee. Kees Vink en Jakop v Galen gooide Kees v Putten op de grond. Toen ging Ge de Vries er vlak bij staan. Toen gaf ik hem een dauw, toen schopte Ge de Vries tegen Kees zijn hoofd. Kees werd natuurlijk kwaad. Hij stompte en sloeg Ge in zijn gezicht. Toen viel zijn bril op de grond en de poot brak.
Nu moet er een nieuw poot aan. Dat kost f 1,75 (gulden) en dat moeten wij nu met z´n driee delen. Dat word dan 58 1/3 cent, maar dan moeten we ook nog het busgeld betalen. De juf zegt dat word dan f0,75 1/3 cent bij elkaar. Ik heb alleen die jongen een douw gegeven. Vind u dat nu niet oneerlijk, ik vind het erg oneerlijk.