De Utrechtse Tram Maatschappij.

Pas op 25 januari 1889 werd de Utrechtsche Tram Maatschappij (de U.T.M.) opgericht, die een paardenspoorweg ging aanleggen van het station van de Rijnspoor naar het Maliebaanstation. In februari 1889 vroeg de U.T.M, een gedeelte van het voorplein van het Maliebaanstation te mogen huren, om er een remise, stalling en kantoortje op te laten bouwen. De H.S.M. gaf haar toestemming en in de remise kwam plaats voor 14 tramrijtuigen en in de stalling voor 15 paarden.De Maatschappij had eerst geen eigen paarden, maar zij sloot een contract met W. van der Lee, stalhouder en handelaar in paarden voor ‘de levering van trekkracht. W. van der Lee was eerst eigenaar geweest van een stalhouderij op het Ledig Erf, maar in 1883 had hij een nieuwe stal met koetshuis op de Mariaplaats laten bouwen naast de toenmalige Boterhal; de stalhouderij van Van der Lee was in de hele stad, vooral ook bij de studenten, goed bekend.De H.S.M, en de N.R.S. gaven aan de U.T.M, vergunning de tramrijtuigen te laten aankomen en vertrekken onder de kap aan de noordzijde van het Maliebaanstation en zo dicht mogelijk bij de grote stoep en de glazen overkapping van het station van de Rijnspoor; bij slecht weer was dit voor de trampassagiers een hele uitkomst.Op 3 juli 1889 werd de Utrechtse paardetram met een feestrit geopend; de burgemeester mr. W.R. Boer sprak zijn vreugde uit over het slagen van deze onderneming, ‘waardoor de stad Utrecht in ’t bezit is gekomen van een modern vervoermiddel, dat de eene wijk aan de andere ketent, het verkeer in de stad vergemakkelijkt en vooral ten gerieve komt van het vreemdelingenverkeer door de beide spoorwegstations met elkander te verbinden.’ Op 5 juli 1889 reden de trams voor het eerst de gehele dag en vervoerden zij reeds 2294 personen. Met trots werd vermeld, dat ondanks deze drukte de dienst toch ‘met zeer veel orde verricht werd. Op het eind van 1889 had de U.T.M, reeds 228.388 reizigers vervoerd.De U.T.M, had nogal eens moeilijkheden met de stalhouder W. v.d. Lee over de levering van trekpaarden en toen het contract met hem was afgelopen, ging de U.T.M, op l mei 1894 de trekkracht in eigen beheer uitvoeren. Personeel in dienst van Van der Lee werd overgenomen en er werd nog nieuw personeel voor een eigen hoefsmederij, die nu nodig werd, in dienst genomen. Men kon met de U.T.M, van het Centraal Station naar de Halte Biltstraat rijden, maar de tram maakte wel een hele omweg via Mariaplaats en Domplein; toen echter de Stichtsche Tramway Maatschappij, die haar paardetrams van het Stationsplein te Utrecht over de Catharijnebrug door de Viestraat, de Potterstraat, de Voorstraat en de Biltstraat naar Zeist liet rijden, op l januari 1901 werd overgenomen door de Nederlandsche Buurtspoorweg Maatschappij, mocht de U.T.M, haar trams over de rails van de Zeister paardetram rechtstreeks van het Centraal Station naar de halte Biltstraat laten rijden. De U.T.M, kocht nu terrein op aan het eind van de Willem Barentszstraat, om hier een paardenstal voor 46 paarden, een remise voor de tramwagens en een smederij te laten bouwen. De gemeenteraad keurde op 22 maart 1901goed, dat de U.T.M, in verband hiermee haar lijn van de Biltstraat door de F.C. Dondersstraat zou doortrekken tot aan het Nederlandse Gasthuis voor Ooglijders. De U.T.M, kocht bovendien acht rijtuigen, die aan de Stichtsche Tramway Maatschappij toebehoord hadden, om daarmee haar stadsdienst van het Centraal Station tot aan de Willem Barentszstraat (bij de halte Biltstraat) te onderhouden; deze stadslijn werd op 9 december 1901 geopend.Willem van der Lee wist het uiteindelijk zijn werkzaamheden niet vol te houden. In de krant van 23 augustus 1907 werd er een faillissement aanvraag ingediend voor W. van der Lee jr, rijtuigbestuurder in Utrecht, woonachtig in Amsterdam, echter is deze aanvraag door verzet vernietigd. Willem van der Lee werd geboren 23-2-1841 in Langbroek, en was gehuwd met Cornelia Legemaat. Ze was geboren op 8-9-1836 Driebergen.
Pas op 25 januari 1889 werd de Utrechtsche Tram Maatschappij (de U.T.M.) opgericht, die een paardenspoorweg ging aanleggen van het station van de Rijnspoor naar het Maliebaanstation. In februari 1889 vroeg de U.T.M, een gedeelte van het voorplein van het Maliebaanstation te mogen huren, om er een remise, stalling en kantoortje op te laten bouwen. De H.S.M. gaf haar toestemming en in de remise kwam plaats voor 14 tramrijtuigen en in de stalling voor 15 paarden.
De Maatschappij had eerst geen eigen paarden, maar zij sloot een contract met W. van der Lee, stalhouder en handelaar in paarden voor ‘de levering van trekkracht. W. van der Lee was eerst eigenaar geweest van een stalhouderij op het Ledig Erf, maar in 1883 had hij een nieuwe stal met koetshuis op de Mariaplaats laten bouwen naast de toenmalige Boterhal; de stalhouderij van Van der Lee was in de hele stad, vooral ook bij de studenten, goed bekend.
De H.S.M, en de N.R.S. gaven aan de U.T.M, vergunning de tramrijtuigen te laten aankomen en vertrekken onder de kap aan de noordzijde van het Maliebaanstation en zo dicht mogelijk bij de grote stoep en de glazen overkapping van het station van de Rijnspoor; bij slecht weer was dit voor de trampassagiers een hele uitkomst.
Op 3 juli 1889 werd de Utrechtse paardetram met een feestrit geopend; de burgemeester mr. W.R. Boer sprak zijn vreugde uit over het slagen van deze onderneming, ‘waardoor de stad Utrecht in ’t bezit is gekomen van een modern vervoermiddel, dat de eene wijk aan de andere ketent, het verkeer in de stad vergemakkelijkt en vooral ten gerieve komt van het vreemdelingenverkeer door de beide spoorwegstations met elkander te verbinden.’ Op 5 juli 1889 reden de trams voor het eerst de gehele dag en vervoerden zij reeds 2294 personen. Met trots werd vermeld, dat ondanks deze drukte de dienst toch ‘met zeer veel orde verricht werd. Op het eind van 1889 had de U.T.M, reeds 228.388 reizigers vervoerd.
De U.T.M, had nogal eens moeilijkheden met de stalhouder W. v.d. Lee over de levering van trekpaarden en toen het contract met hem was afgelopen, ging de U.T.M, op l mei 1894 de trekkracht in eigen beheer uitvoeren. Personeel in dienst van Van der Lee werd overgenomen en er werd nog nieuw personeel voor een eigen hoefsmederij, die nu nodig werd, in dienst genomen. Men kon met de U.T.M, van het Centraal Station naar de Halte Biltstraat rijden, maar de tram maakte wel een hele omweg via Mariaplaats en Domplein; toen echter de Stichtsche Tramway Maatschappij, die haar paardetrams van het Stationsplein te Utrecht over de Catharijnebrug door de Viestraat, de Potterstraat, de Voorstraat en de Biltstraat naar Zeist liet rijden, op l januari 1901 werd overgenomen door de Nederlandsche Buurtspoorweg Maatschappij, mocht de U.T.M, haar trams over de rails van de Zeister paardetram rechtstreeks van het Centraal Station naar de halte Biltstraat laten rijden. De U.T.M, kocht nu terrein op aan het eind van de Willem Barentszstraat, om hier een paardenstal voor 46 paarden, een remise voor de tramwagens en een smederij te laten bouwen. De gemeenteraad keurde op 22 maart 1901goed, dat de U.T.M, in verband hiermee haar lijn van de Biltstraat door de F.C. Dondersstraat zou doortrekken tot aan het Nederlandse Gasthuis voor Ooglijders. De U.T.M, kocht bovendien acht rijtuigen, die aan de Stichtsche Tramway Maatschappij toebehoord hadden, om daarmee haar stadsdienst van het Centraal Station tot aan de Willem Barentszstraat (bij de halte Biltstraat) te onderhouden; deze stadslijn werd op 9 december 1901 geopend.
Willem van der Lee wist het uiteindelijk zijn werkzaamheden niet vol te houden. In de krant van 23 augustus 1907 werd er een faillissement aanvraag ingediend voor W. van der Lee jr, rijtuigbestuurder in Utrecht, woonachtig in Amsterdam, echter is deze aanvraag door verzet vernietigd. Willem van der Lee werd geboren 23-2-1841 in Langbroek, en was gehuwd met Cornelia Legemaat. Ze was geboren op acht september 1836 in Driebergen.

Pas op 25 januari 1889 werd de Utrechtsche Tram Maatschappij (de U.T.M.) opgericht, die een paardenspoorweg ging aanleggen van het station van de Rijnspoor naar het Maliebaanstation. In februari 1889 vroeg de U.T.M, een gedeelte van het voorplein van het Maliebaanstation te mogen huren, om er een remise, stalling en kantoortje op te laten bouwen. De H.S.M. gaf haar toestemming en in de remise kwam plaats voor 14 tramrijtuigen en in de stalling voor 15 paarden.
De Maatschappij had eerst geen eigen paarden, maar zij sloot een contract met W. van der Lee, stalhouder en handelaar in paarden voor ‘de levering van trekkracht. W. van der Lee was eerst eigenaar geweest van een stalhouderij op het Ledig Erf, maar in 1883 had hij een nieuwe stal met koetshuis op de Mariaplaats laten bouwen naast de toenmalige Boterhal; de stalhouderij van Van der Lee was in de hele stad, vooral ook bij de studenten, goed bekend.De H.S.M, en de N.R.S. gaven aan de U.T.M, vergunning de tramrijtuigen te laten aankomen en vertrekken onder de kap aan de noordzijde van het Maliebaanstation en zo dicht mogelijk bij de grote stoep en de glazen overkapping van het station van de Rijnspoor; bij slecht weer was dit voor de trampassagiers een hele uitkomst. Op 3 juli 1889 werd de Utrechtse paardetram met een feestrit geopend; de burgemeester mr. W.R. Boer sprak zijn vreugde uit over het slagen van deze onderneming, ‘waardoor de stad Utrecht in ’t bezit is gekomen van een modern vervoermiddel, dat de eene wijk aan de andere ketent, het verkeer in de stad vergemakkelijkt en vooral ten gerieve komt van het vreemdelingenverkeer door de beide spoorwegstations met elkander te verbinden.’

Op 5 juli 1889 reden de trams voor het eerst de gehele dag en vervoerden zij reeds 2294 personen. Met trots werd vermeld, dat ondanks deze drukte de dienst toch ‘met zeer veel orde verricht werd. Op het eind van 1889 had de U.T.M, reeds 228.388 reizigers vervoerd.De U.T.M, had nogal eens moeilijkheden met de stalhouder W. v.d. Lee over de levering van trekpaarden en toen het contract met hem was afgelopen, ging de U.T.M, op l mei 1894 de trekkracht in eigen beheer uitvoeren. Personeel in dienst van Van der Lee werd overgenomen en er werd nog nieuw personeel voor een eigen hoefsmederij, die nu nodig werd, in dienst genomen. Men kon met de U.T.M, van het Centraal Station naar de Halte Biltstraat rijden, maar de tram maakte wel een hele omweg via Mariaplaats en Domplein; toen echter de Stichtsche Tramway Maatschappij, die haar paardetrams van het Stationsplein te Utrecht over de Catharijnebrug door de Viestraat, de Potterstraat, de Voorstraat en de Biltstraat naar Zeist liet rijden, op l januari 1901 werd overgenomen door de Nederlandsche Buurtspoorweg Maatschappij, mocht de U.T.M, haar trams over de rails van de Zeister paardetram rechtstreeks van het Centraal Station naar de halte Biltstraat laten rijden. De U.T.M, kocht nu terrein op aan het eind van de Willem Barentszstraat, om hier een paardenstal voor 46 paarden, een remise voor de tramwagens en een smederij te laten bouwen. De gemeenteraad keurde op 22 maart 1901goed, dat de U.T.M, in verband hiermee haar lijn van de Biltstraat door de F.C. Dondersstraat zou doortrekken tot aan het Nederlandse Gasthuis voor Ooglijders. De U.T.M, kocht bovendien acht rijtuigen, die aan de Stichtsche Tramway Maatschappij toebehoord hadden, om daarmee haar stadsdienst van het Centraal Station tot aan de Willem Barentszstraat (bij de halte Biltstraat) te onderhouden; deze stadslijn werd op 9 december 1901 geopend.

Willem van der Lee wist het uiteindelijk zijn werkzaamheden niet vol te houden. In de krant van 23 augustus 1907 werd er een faillissement aanvraag ingediend voor W. van der Lee jr, rijtuigbestuurder in Utrecht, woonachtig in Amsterdam, echter is deze aanvraag door verzet vernietigd. Willem van der Lee werd geboren 23-2-1841 in Langbroek, en was gehuwd met Cornelia Legemaat. Ze was geboren op 8-9-1836 Driebergen.

Tagged with:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *