De gemeente-ontvanger Joannes Abraham van der Lee.

In 1912 werd Joannes Abraham van der Lee aangesteld als gemeente-ontvanger op de gemeente-secetarie van Bleiswijk. In 1917 beëindigt hij zijn dienstverband om elders aan het werk te gaan. Van der Lee was enig kind van Cornelis van der Lee en Johanna Maria Nagtegaal.

Joannes Abraham werd geboren op 18 september 1885 in Aarlanderveen en huwde op 12 november 1912 met Kunetta Aldegonda Wierema. Zijn vader was notaris in Aarlanderveen. Een uitspraak van burgemeester Arie Sieling geeft zicht over hoe Cornelis van der Lee met zijn zoon omging:

“zijn vader voorziet hem als eenig kind op onbekrompen wijze van alles wat noodig is om in de deftigen stand te kunnen leven”.

Na zijn Gymnasium eindexamen begon Van der Lee als volontair in Nijkerk en een jaar later in Bleiswijk. Sieling gaf hem persoonlijk onderricht in de gemeente-administratie. Vanaf 1914 verrichtte Van der Lee zijn  werkzaamheden in de ochtenduren geheel zelfstandig, omdat Sieling in dat jaar het secretariaat van Bergschenhoek waarnam.

Sieling was zeer over hem te spreken, “Hij werkt vlug en accuraat”. Toen Van der Lee in 1915 ging solliciteren naar de functie van gemeente-ontvanger in Oisterwijk en Renkum kon Sieling hem van harte aanbevelen: “Ik reken hem tot de sollicitanten, op wie dadelijk het oog moet vallen, om de vele uitnemende eigenschappen, die hem als mensch en als ambtenaar sieren. Niemand zou ik dan ook meer warmte kunnen aanbevelen dan hem. “Hij is een jonge man die “energie bezit en een hoogstaand karakter heeft… is zeer beschaafd en heeft ook een beschaafde vrouw getrouwd”. Van der Lee is verder Nederlands Hervormd en politiek “Christelijk historisch”.

Ook was Van der Lee zeer zelfbewust, gezien zijn brief aan de gemeenteraad van 10 mei 1916 waarin hij om een salarisverhoging van f 10,– naar f 25,– vroeg. Hieronder volgt integraal een groot gedeelte van de brief:

In de Raadsvergadering van 19 augustus 1915 werd besloten mij eene belooning toe te kennen van f 10,– per maand, tijdens den duur der mobilisatie wegens de vele werkzaamheden die voortvloeien uit de voorschriften van de Ministers van Oorlog en van Landbouw, Nijverheid en Handel. Allereerst kreeg ik de broodkaarten voor mijne rekening; de werkzaamheden hieraan verbonden bleken mij, in den beginnen vooral, veel meer tijd-vragend dan ik vermoed had. Intusschen is er (…) een jaar verloopen; in dit tijdvak zijn de werkzaamheden ter Secretarie, in het algemeen, nog meer toegenomen, maar ook in het bijzonder wat de levensmiddelen-voorziening betreft. Een sterke vermindering van het aantal broodkaarten heeft nooit plaats gehad; wel komen er Juni aanstaande 30 te vervallen, ingevolge de jongste maatregelen van de minister, waar echter de bemoeiingen inzake het wittebrood-verbod tegenover staan. Het is in deze buitengewone tijden trouwens met het een nog niet gedaan of het ander is er al weer. Ik weet uit ondervinding hoe “men” in het algemeen onkundig is van hetgeen er op een secretarie omgaat, maar wat de gemeente-secretarie in deze tijden beteekent, bevroedt men allerminst. Het zij mij veroorloofd u kortelijks te beschrijven wat er inzake de broodkaarten gedaan moet worden. De kaarten invullen, uitreiken ter secretarie wat juist een geheelen dag  in beslag neemt, de verbruikte kaarten controleeren, en het aantal halve kilogr. ervan in een register schrijven; de bakkers controleeren; brieven aan de bakkers schrijven en aan de Burgemeesters der gemeenten wier bakkers alhier leveren; achtergebleven kaarten opsporen; om nog niet te spreken van de administratie van de meelverstrekking aan de bakkers en het beheeren der gestorte gelden en velerlei bijkomstigheden. Dit is niet een “uitmeten” van de dingen, mijne heeren, volstrekt niet! maar over het algemeen wordt te lichtvaardig over deze dingen geoordeeld. Ik zeg niet dat het een hoofdbrekende arbeid is, maar alles wat ik noemde, moet toch gedaan worden. Dit is slechts een greep uit het vele! Als ik nu in aanmerking neem de vele andere werkzaamheden die ik verricht, al was het alleen maar het boeken van het legio brieven dat tegenwoordig de secretarie verlaat en binnenkomt, dan moet ik u verklaren dat ik mij eershalve genoodzaakt zie u te verzoeken de belooning, waarover in het begin werd gesproken, te verhoogen. Zaken zijn zaken, mijne heeren!, het werk moet verricht worden en wie het doet, moet dienovereenkomstig bezoldigd worden. Verkeerde de gemeente Bleiswijk financieel in een ongunstigen of minder-gunstige toestand – ik zou mij zelven, eenmaal hier zijnde, gaarne in het algemeen belang geven; nu dat niet behoeft, doe ik het, althans wat betreft de onderwerpelijke werkzaamheden, niet. Had ik in 1915 geweten, alles wat er nog komen zou op de secretarie aan werk en bemoeiingen, waarin ik nog steeds een deel had – ik was dan indertijd niet op het voorstel van den voorzitter van uw college ingegaan. Met nadruk veroorloof ik mij te wijzen op mijn verzoek, want mijn eergevoel als ontwikkeld ambtenaar verbeidt mij verder voor de thans geldende belooning de bewuste hulp ter secretarie te verleenen. Ik heb u de eer te verzoeken mijn tijdelijke belooning te brengen op f 25,– per maand; den datum van ingang meen ik na mededeeling van een en ander, ten bepaling aan uw College te mogen overlaten maar acht het geenszins onbillijk 1 april j.l. daarvoor vast te stellen, gezien het feit dat ik dan toch 8 maanden slechts voor een douceurtje veel werk heb verricht”. Ondertekend: de dienstw. dienaar, J.A. van der Lee.”

Tagged with:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *